kristal

Weten wat te doen wanneer je niet weet wat je moet doen

Zoonlief komt uit school. Hij zucht. Over het algemeen is het een vrolijk, opgeruimd kind, dus als ie zucht moet er wat loos zijn. ‘Het is niet zo leuk hoor, in de klas’, verzucht ie. Ik luister. ‘Wat is er niet zo leuk?’ ‘Nou, ik weet niet. Ik vind het leren heel leuk dit jaar, maar de groep niet. We zijn gewoon geen groep’. Ik antwoord: ‘Ja, maar dat is toch altijd zo in het begin van het jaar. Dat is gewoon even wennen’. Verkeerde antwoord. Ik merk het onmiddellijk. Waarom houd ik nou niet even mijn betweterige mond? Een boeddhistische vriendin heeft me ooit de zin geleerd: als je het zelf al weet, waarom vertel je het dan nog? Een waardevolle zin. Veel waardevoller dan hij op het eerste gezicht lijkt. En veel moeilijker om te doen. Want oh zo graag willen we allemaal de zaken graag ‘oplossen’, en de ander laten weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Toch?

Anyway. Zoonlief verheft zijn stem, klaarblijkelijk licht geïrriteerd door hoe ik hem in zijn verhaal de pas heb afgesneden. ‘Ja, maar je snapt het niet. Het is niet leuk hoor, als je er niet bij mag horen’. Ik word voorzichtiger, en bange voorgevoelens kruipen mijn hart in. Het zal toch niet zo zijn…Het zal toch niet zo zijn dat er gepest wordt. Voor aanvang van het schooljaar waren we gewaarschuwd: het was een ‘moeilijke groep’, met veel kinderen met een neiging tot pesten. Los van de vraag of ‘moeilijke groepen’ bestaan, of het niet gewoon een combinatie van interacties is, geeft het feit dat een groep gedefinieerd wordt als ‘moeilijk’ jou als ouder niet het geruststellende gevoel dat je graag wil.

Het zal toch niet zo zijn dat mijn zoon het volgende pestslachtoffer wordt? is het eerste dat in mijn gedachten opspringt. We zijn nog geen week onderweg? Op het moment dat ik dat denk realiseer ik me tegelijk dat ik vertrouwen in mijn zoon moet houden. Hij zit goed in zijn vel, roept – voor zover dat überhaupt kan – geen pestgedrag over zich af. Dus waarom zou hij gepest gaan worden? Maar stiekem, heel stiekem, heeft angst toch wortel gevat ergens in mijn brein. ‘Bij wie of wat zou je dan willen horen’, zeg ik met half dichtgeknepen stem. ‘Nou ja, gewoon, bij een groep’ reageert hij. ‘Ik had eerst mijn oude groepje, maar die doen niet aan voetbal. Nu doe ik mee met de voetbal, wat ik heel leuk vind, maar bij die groep mag ik niet horen, want ik kan niet goed voetballen’.

‘Zeggen ze dat dan’, probeer ik zo neutraal mogelijk te zeggen, terwijl ik van binnen lichte agressiegevoelens ontwaar. Verontwaardigd kijkt ie me aan: ‘Nee, dat zeggen ze niet, dat merk ik aan hoe ze kijken en doen. Dat je dat niet begrijpt mama.’ Ok, weer de verkeerde snaar geraakt, zo merk ik. Goede raad is duur. Wat nu te zeggen? Mijn hoofd gaat alle kanten uit. Ik ben zoals ze in onderwijsvaktermen zouden zeggen ‘handelingsverlegen’, en weet niet goed waar mijn aandacht op te richten. Aandacht geven aan het ‘nu’, aan zijn verdriet en ogenschijnlijke onvermogen? Aandacht geven aan mijn ‘zelf’ en voelen waarom het míj zo raakt, wetend dat ik vroeger als kind op school gepest ben, en dat daar dus een litteken zit? Of aandacht geven aan zijn kracht, en hem vertellen dat ik zeker weet dat hij het goed op kan lossen, op zijn manier, op zijn tijd, met recht op zijn eigen strubbelingen.

In luttele seconden besluit tot het laatste. ‘Je vindt wel een oplossing. Ik weet het zeker. En als je het even niet meer weet, kom je naar mij of ga je naar je meester’, zo probeer ik hem bemoedigend toe te spreken. Hij vindt het een goed idee. Als check stel ik voor om af te spreken dat hij het me op tijd laat weten, mocht hij er niet uitkomen. Is goed. ‘Ik kan het wel’, beëindigt hij opgeklaard het gesprek.

Met een bezwaard hart laat ik hem na de lunch gaan. Bezwaard, omdat mijn bange gevoelens nog niet weg zijn. Maar vooral bezwaard omdat ik voel dat ik mijn ‘zelf’ in dit verhaal teveel meeneem. Tuurlijk, zoonlief moet leren zich met zijn grote hart voldoende weerbaar naar anderen op te stellen. En tuurlijk, daar ligt niet zijn sterkste kant, want hij is misschien te lief en zorgzaam voor anderen, wat in deze maatschappij geen kwaliteit lijkt te zijn in een klassen-opgroei-arena waar het recht van de sterkste lijkt te gelden. Maar toch. Diep van binnen weet ik dat er vooral voor mijzelf een opdracht in het verschiet ligt. Dat ongemakkelijke gevoel in mijn buik herinnert mij aan mijn eigen tijd als kind, aan de periode dat ik gepest ben, en aan de pijn – al decennia heel diep weggestopt – daar opgelopen. En dus is het niet mijn zoon zijn werkelijkheid die ik meen te zien, maar mijn eigen werkelijkheid.

Napeinzend en navoelend stel ik mezelf de vraag of het adagium dat we over onszelf afroepen wat we van binnen denken en geloven niet toch een kern van waarheid bevat. Is het niet een beetje zo dat je wat dat betreft je eigen werkelijkheid creëert? Want als ik zie dat hij iets kan, kan hij het misschien ook. En als ik in hem geloof, gelooft hij ook in zichzelf, zo bleek toch zo-even. Kortom, werk aan de winkel. Niet bij hem, maar bij mij. Zorgen dat ik ‘schoon’ word van binnen, zorgen dat er bij mij geen oude pijn meer wordt aangesproken op het moment dat een van mijn kinderen me in een ‘pedagogisch moment’ ontmoet. Want alleen dan kan mijn aandacht vrij zijn, en zal ik weten wat te doen, wanneer ik niet weet wat ik moet doen – naar Max van Manen.